Welkom



Verhoeven Ruesink Daniel is een gespecialiseerd belastingadvieskantoor. De dienstverlening aan onze cliënten is gebaseerd op kennis, ervaring en - niet op de laatste plaats - onafhankelijkheid. Maar daarmee zijn we er nog niet. Net zo belangrijk vinden we het om onze adviezen begrijpelijk en inzichtelijk te brengen. Het belastingrecht is tenslotte al ingewikkeld genoeg.



Geplaatst op 06-05-2021
Commissarissen niet in de BTW!
De BTW-positie van de commissaris en veel andere toezichthouders is door een besluit van het Ministerie van Financiën verduidelijkt. In de afgelopen twee decennia is de BTW-status van de commissaris, in zijn  of haar hoedanigheid als toezichthouder, een soort binair spelletje geweest, wel ondernemer, geen ondernemer, wel ondernemer en nu weer … inderdaad, geen ondernemer. Belangrijk, zeker, omdat BTW op een commissariaatsfee, die in rekening wordt gebracht aan een onderneming of instelling die geen recht op aftrek van BTW heeft zoals een verzekeringsmaatschappij of een woningcorporatie, niet kan worden afgetrokken en daarmee treedt er cumulatie van BTW op. Aan de andere kant, bij een commissariaatsfee aan een onderneming die wel BTW-aftrek heeft maakt het niet uit of er wel of geen BTW op de fee zit. Gevolg is wel dat de commissaris BTW-ondernemer is, en dat is wel zo prettig als je een keer een nieuw PC-tje nodig hebt of een ander glimmend hebbedingetje dat je voor ‘de zaak’ gebruikt.

Aan de grondslag van al deze verwarring lag een reeks arresten van de Europese rechter, want BTW is een Europese belasting. Een BTW-ondernemer moet zelfstandig zijn. Sinds het IO-arrest van 13 juni 2019 heerst er verwarring over de zelfstandigheid van een commissaris. Wat is dat eigenlijk, zelfstandigheid? Na ampele studie zegt de Staatssecretaris van Financiën nu dat zelfstandigheid betekent dat je je taak voor eigen rekening en risico en onder eigen verantwoordelijkheid uitvoert. Iemand die in dienstbetrekking werkt voldoet daar niet aan, maar een commissaris is niet in dienstbetrekking. Echter, de Staatssecretaris stelt dat als er sprake is van het lidmaatschap van een bij wet of statuten ingesteld orgaan, waarbij geen sprake is van een individuele verantwoordelijkheid, er geen sprake is van zelfstandigheid. Dat strookt in zoverre wel met de hoofdlijnen van het IO-arrest, dus wij vragen ons af waarom het twee jaar en diverse bezwaarprocedures heeft moeten duren voordat Financiën met dit besluit kwam. Ze zullen het wel druk hebben.

Kortom: De commissaris is geen ondernemer voor de BTW.

Nog een paar bijzonderheden:
  • De regeling geldt voor toezichthouders die in een orgaan zitten dat op basis van een wettelijke grondslag is gevormd, maar ook voor toezichthouders  die hebben plaatsgenomen in een orgaan dat zonder wettelijke grondslag is ingesteld.
  • Ook leden van bezwaar- en adviescommissies vallen binnen de reikwijdte van het besluit.
  • Tot slot worden ook leden van toetsings- geschillen- en vergelijkbare commissies onder de regeling gebracht.
  • Heeft een commissaris meer commissariaten, dan blijft de individuele zelfstandigheid van ieder afzonderlijk commissariaat de doorslag geven en is er dus evenmin sprake van ondernemerschap voor de BTW.
  • Ook als een commissaris in een one-tier board zit (een op Angelsaksische leest geschoeid model waarbij alle bestuurders en toezichthouders in één orgaan zitten en er slechts verschil is tussen executives en non-executives) is hij geen BTW-ondernemer.
Het besluit werkt terug tot 13 juni 2019, de datum van het IO-arrest. Helemaal onder aan het besluit is er ook nog, bijna terloops, een goedkeuring opgenomen. BTW die in rekening gebracht is en die door de onderneming waar de commissaris werkt is afgetrokken, hoeft niet te worden terugbetaald. Deze goedkeuring is nodig, immers, als een factuur niet aan de eisen voldoet is de BTW niet aftrekbaar. Een factuur met BTW erop die er niet op hoort voldoet niet aan de eisen, waardoor de BTW-aftrek vervalt. Vandaar dat deze goedkeuring nodig was. Belangrijk is dus wel om te weten dat commissarissen-BTW, die na 26 april nog op een factuur wordt vermeld, niet meer aftrekbaar is. De factuur voldoet immers niet aan de eisen.

En hoe zit het dan met de BTW die sinds 13 juni in rekening is gebracht aan, bijvoorbeeld, een woningcorporatie. Kan die BTW worden teruggehaald? Hiervoor moeten we terug naar het systeem van de BTW. BTW die op een factuur staat moet altijd worden afgedragen. Dat betekent dus dat de BTW van de afgelopen twee jaren, die op de facturen is vermeld, niet zomaar kan worden teruggehaald. Daarvoor zullen de commissarissen in kwestie een creditnota moeten sturen, met BTW, en nieuwe nota’s, zonder de BTW. De commissaris zelf wordt daar dus geen haartje in de pruik beter van, zou onze goede vriend Ton H. zeggen. De instelling wel, die krijgt nieuwe rekeningen zonder BTW. Al met al een heel gedoe, maar we zijn wel blij dat Financiën kleur heeft bekend.
Geplaatst op 13-04-2021
BTW deur voor spijtoptanten op een kiertje
De BTW is een belasting die sterk aanknoopt bij de economische realiteit. De vormgeving is echter tamelijk formeel. Bij aftrek van voorbelasting heb je altijd een factuur nodig. Voldoet de factuur niet aan de eisen? Geen BTW-aftrek. Verder moet je de BTW op het goede moment in aftrek brengen. Te laat? Geen aftrek. Dat wil zeggen, wat is nu precies het goede moment?

De BTW-wetgeving is daarover eigenlijk wel duidelijk. De BTW trek je af bij aanschaf, of, als op het moment van de aanschaf niet helemaal duidelijk is waarvoor je de goederen gaat gebruiken, bij bestemming van de goederen. Dit speelt in het bijzonder bij onroerende zaken. Soms worden onroerende zaken met BTW gekocht en is niet helemaal duidelijk of de onroerende zaken met BTW worden geëxploiteerd of niet. Bij belaste ingebruikname kan dan de BTW alsnog worden afgetrokken.

Als de BTW bij aanschaf is afgetrokken, maar er zijn later veranderingen in de verhouding belast/onbelast gebruik, dan kan de BTW op die aangekochte goederen in porties worden herzien. Deze herzieningsregeling was onderwerp van een procedure tussen een exploitant van een aantal percelen grond, waarop stacaravans moesten worden ontwikkeld, en de Belastingdienst. Maar er was hier iets anders aan de hand, de ondernemer was vergeten de BTW op de aangekochte percelen in aftrek te brengen. Duur foutje? Misschien wel, misschien niet. De exploitatie van stacaravans kwam niet van de grond en de exploitant leverde twee van de tien percelen weer terug aan de oorspronkelijke verkoper, met BTW – maar droeg die BTW niet af omdat de ondernemer het standpunt innam dat de oorspronkelijke BTW, op aanschafmoment dus niet afgetrokken, op het moment van terugverkoop alsnog in aanmerking moest worden genomen omdat de bestemming nu duidelijk was. De Europese BTW-regels zouden het mogelijk maken dat op dat moment, via de achterdeur van de herzieningsregeling, de vergeten BTW alsnog in aftrek zou kunnen komen.

De inspecteur beweerde dat de herzieningsregels niet bedoeld waren voor spijtoptanten en zette de hakken in het zand. Dat is wel een beetje al te driest, vinden wij, immers, de oorspronkelijke leverancier had de BTW wel afgedragen en niet toestaan van de aftrek leidt tot cumulatie van BTW – een doodzonde in de Europese BTW-systematiek. Bovendien was er geen sprake van boze opzet, fraude of dat soort narigheid.

De Hoge Raad was het daarmee eigenlijk stiekem wel een beetje eens, zo blijkt uit het arrest dat de Hoge Raad ter zake wees, maar wil graag van het Europese Hof van Justitie de zekerheid dat de herzieningsregels deze ruimte ook bieden. Er zijn daarom prejudiciële vragen gesteld. Wij wachten met spanning af.
Geplaatst op 11-04-2021
Anonimiseringsstructuren met open CV's op de tocht
Belastingplicht van open commanditaire vennootschappen op de tocht.

Mogelijk is er slecht nieuws voor mensen die hun vermogen hebben geanonimiseerd via een commanditaire vennootschap. De structuur is in beginsel niet ingewikkeld. Maar waarom zou je een vehikel als de commanditaire vennootschap gebruiken?

Een Holding-BV moet, afhankelijk van de mate waarin gegevens gepubliceerd moeten worden, cijfers publiceren en die cijfers worden niet altijd even netjes gebruikt. Er zijn gevallen bekend van gefortuneerde Nederlanders die na publicatie van de cijfers van hun holding ineens geconfronteerd werden met laag overvliegende drones waarmee foto’s werden gemaakt van hun huis in Wassenaar. Immers, de jaarlijkse lijst van 500 rijkste mensen van Nederland moet ook opgeleukt worden met foto’s van die rijkdom. En dan zwijgen we nog maar over de kosten ven beveiligingsmaatregelen die genomen moeten worden om te voorkomen dat je kinderen worden ontvoerd door gewetenloze criminelen.

In dat geval breng je de aandelen van de rijke holding-BV onder in een CV en zorgt ervoor dat de CV open is, dat wil zeggen, dat in beginsel de participaties vrij verhandelbaar zijn. De inbreng van de aandelen in de CV is een actie die gepubliceerd moet worden en de participanten in de CV zijn via het UBO-register ook wel te traceren, maar na inbreng hoeven de verdere vermogensmutaties niet gedeponeerd te worden omdat de CV geen jaarrekening hoeft te publiceren. Mind you – er wordt dus geen cent belasting bespaard. Daar is de structuur niet voor bedoeld.

Deze CVs worden in internationaal verkeer wel gebruikt om er zogenaamde hybride mismatches mee te creëren. Door kwalificatieverschillen van één en hetzelfde vehikel – in het ene land wel en in het andere land niet belastingplichtig – kunnen sommige baten aan de heffing van belasting worden onttrokken of aftrekposten tweemaal genomen. Deze trucs zijn vanzelfsprekend ongewenst en dienen bestreden te worden. Ieder redelijk denkend mens zal het daarover eens zijn met de wetgever.

Om nu die hybride mismatches tegen te gaan heeft de wetgever een wetsontwerp gepubliceerd waarin de belastingplicht van de open CV wordt geschrapt. Verder zijn er in het voorstel wat extra maatregelen opgenomen voor de kwalificatie van een onduidelijke buitenlandse rechtsvorm en ook over de kwalificatie van het Nederlandse fonds voor gemene rekening.

Met deze voorgestelde wetgeving worden de zorgvuldig opgezette structuren die zijn opgezet ter anonimisering van vermogen via open CVs, en die de schatkist geen cent belastingopbrengst kosten, met één grote reuzenzwaai op dezelfde hoop gegooid als de CV/BV trucs van het internationale grootbedrijf dat deze structuren wel gebruikt om belasting te besparen. Het familiebedrijf, één van de grote motoren en ook wel katalysatoren van de Nederlandse economie, wordt op deze manier het kind van de rekening. Het valt te hopen dat het Ministerie van Financiën hier iets anders voor bedenkt.

Heel chic is dit niet van het Ministerie van Financiën. Een wetsvoorstel presenteren als een voorstel dat hybride mismatches moet tegengaan, met als bijvangst het tegengaan van anonimiseringsstructuren. De toelichting op het wetsvoorstel, daar waar het gaat over die anonimiseringsstructuren, is ook minimaal. Alsof het een onbelangrijk detail is. Dat is het niet, wij hopen dat de consultatieronde wordt gebruikt om op grote schaal tegengas te geven.
Geplaatst op 24-11-2020
Trap niet in de BTW-valkuil bij de verkoop van onroerende zaken!
BTW en vastgoed. Altijd lastig, hoe zit het ook alweer?

Leveringen van vastgoed kunnen onderscheiden worden in drie categorieën. Bouwterreinen en nieuwe onroerende zaken, waarvan de levering altijd is onderworpen aan de heffing van BTW. Verder zijn er de bestaande onroerende zaken, ouder dan twee jaar dus. Die onroerende zaken kunnen optioneel met BTW worden geleverd. Dat kan handig zijn, immers, de investerings-BTW van een onroerende zaak wordt gedurende tien jaren na de aankoop ieder jaar gemonitord. Wordt het onroerend goed gebruikt voor prestaties die ‘in de BTW zitten’, dan wordt de aftrek van de investerings-BTW gehandhaafd. Is het gebruik van het vastgoed veranderd, dan kan dat gevolgen hebben, in die zin dat dan jaarlijks tot 10% van de investerings-BTW weer moet worden terugbetaald. Bij verkoop van het pand met BTW ben je als investeerder min of meer van die verplichting af, omdat je voor de rest van de termijn waarop de investerings-BTW wordt gemonitord (maximaal 10 jaren) verondersteld wordt het vastgoed te gebruiken voor prestaties die ‘in de BTW zitten’. Een ondernemer, die volledig in de BTW zit, en die in 2015 een pand ontwikkelt en in zijn onderneming gebruikt, en dat pand in 2020 verkoopt aan een kinderopvanginstelling (die vrijgesteld is van BTW), moet de investerings-BTW voor de helft terugbetalen.

Wat nu als je een bestaand pand met BTW verkoopt aan een derde die het gebruikt voor prestaties die ‘in de BTW zitten’, waarbij die derde het pand vervolgens verkoopt aan weer iemand anders waarbij de verkoop zonder BTW plaatsvindt? Onlangs was zo’n casus aan de orde en inmiddels heeft de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad er een conclusie over gepubliceerd. De AG oordeelde dat een verkoper, die een pand met een optie tot belaste levering voor de BTW levert, op grond van de wet nog twee jaar (de ‘referentieperiode’) aansprakelijk is voor de BTW. Dat werkt als volgt:

Stel, een ondernemer koopt in 2012 een nieuw pand en trekt alle BTW af, want hij gebruikt het pand voor prestaties die in de BTW zitten. Vervolgens verkoopt hij het pand in 2015 met een optie tot belaste levering – met BTW dus – aan partij E die het pand ook gebruikt voor prestaties die in de BTW zitten. Niets aan de hand. Echter, partij E verkoopt het pand in het volgende boekjaar, 2016, aan partij F die het pand niet gebruikt voor belaste prestaties in de BTW. De levering van het pand vindt dus zonder BTW plaats. In dat geval wordt de met BTW belaste verkoop in 2015 door de ondernemer aan E teruggedraaid tot een onbelaste verkoop. De ondernemer, die in 2012 alle BTW had afgetrokken, moet 6/10 deel van die investerings-BTW weer terugbetalen. In de jaren 2012, 2013, 2014, en 2015 wordt belast gebruik verondersteld, maar in de jaren daarna niet vanwege de verkoop door E aan F, zonder BTW.

Vaak gaat dit om serieus geld. Ondernemers die hun pand met een optie tot met BTW belaste levering verkopen doen er goed aan om in het verkoopcontract een clausule op te nemen dat de koper aansprakelijk is voor het BTW-gevolg dat bij de verkoper kan optreden als de koper het pand binnen de referentieperiode zonder BTW doorverkoopt aan een derde. Voor ondernemers die een pand met lopende BTW-claims kopen onder het regime van art 37d Wet OB (de aankoop van een elgemeenheid van goederen) is het helemaal oppassen. Zij nemen de BTW claims van de verkopende partij 1 op 1 over en kunnen dus geconfronteerd worden met een BTW-naheffing die zij moeten betalen terwijl de verkopende partij het voordeel heeft gehad.

Ingewikkeld? Helaas, inderdaad. Maar de belangen zijn groot. Regel het goed en zorg dat er iemand meekijkt die verstand heeft van BTW en onroerende zaken.
Geplaatst op 23-11-2020
Airbnb-verhuurders in de hotseat
Caravans stallen in de voormalige varkensstal of Chinese toeristen via Airbnb onderbrengen in je tuinhuis. In de fiscaliteit zijn we van alle markten thuis. Maar sommige ontwikkelingen gaan nu eenmaal sneller dan dat de wetgever in staat is om erop te reageren.

Als je je eigen huis tijdelijk verhuurt is er een bijzondere fiscale regel van toepassing, waardoor een deel van verhuuropbrengst belast is. Die speciale regel is nodig. Wij hebben immers voor een systeem gekozen waarbij iedere eigenaar van een woning een fictief saldo van alle baten en lasten van de eigen woning bij zijn inkomen moet tellen. Dat fictieve saldo heet het eigenwoningforfait. Iedereen kent het. Huuropbrengsten zijn ook baten en zouden dus zonder bijzondere regeling onderduiken in dat eigenwoningforfait.

Ooit was er een boer die zijn eigen woning gebruikte om er caravans in te stallen, en wel in de oude varkensstal. De varkensstal maakte kennelijk deel uit van de eigen woning. Dat dat geen theoretische mogelijkheid is wist ik zelf al heel lang, getuige de kwalificaties die mijn moeder overhad voor mijn opruimskills in mijn puberjaren. Aangezien de baten van de eigen woning opgaan in het eigenwoningforfait zijn de ontvangen stallingsgelden onbelast.

Een woningeigenaar die zijn tuinhuisje aan toeristen verhuurde vond dat de huuropbrengsten niet belast waren. Ze worden immers opgeslokt door het eigenwoningforfait. De inspecteur was het hier niet mee eens en vond dat de regeling voor de tijdelijke verhuur van de eigen woning van toepassing was.

De rechter was dit niet met de inspecteur eens. De regeling waarbij de verhuuropbrengst van de eigen woning voor een deel als opbrengst moet worden aangegeven geldt alleen bij verhuur van de gehele eigen woning. En niet bij een deel ervan.

De staatssecretaris van Financiën laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep. In de tussentijd heeft hij in een publicatie laten weten er alle vertrouwen in te hebben dat hij in hoger beroep gelijk gaat krijgen. Dat is nogal wat, de rechter heeft toch gesproken zou ik zeggen. Aanpassing van de wet is niet nodig, vindt de staatssecretaris.

Wordt vervolgd dus. In ieder geval heeft de staatssecretaris nog een pijl op zijn boog, immers, er is niet veel fantasie voor nodig om de airbnb-werkzaamheden ook fiscaal te kwalificeren tot een werkzaamheid, en daarmee trek je de saldo-opbrengst in de belaste sfeer. We wachten met spanning af, en met ons de inmiddels vele duizenden verhuurders van airbnb-appartementen.

-Update 24 november 2020 -

Inmiddels hebben de Airbnb verhuurders eigenlijk in zo'n beetje alle gevallen aan het kortste eindje getrokken. De Hoge Raad heeft recent geoordeeld dat ook bij een gedeeltelijke verhuur van de eigen woning 70% van de opbrengst moet worden aangegeven. En verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat op de reguliere Air-BNB verhuur de kamerverhuurvrijstelling niet van toepassing is. Wat blijft is de vraag of Air-BNB verhuur van een ruimte die niet tot de eigen woning behoort belast is als werkzaamheid of dat het onderduikt in het box 3 inkomen. Dat is nog niet bekend, of je er als verhuurder van afkomt door het ontbijt voor je gasten te skippen is maar zeer de vraag. Uiteindelijk gaat het om een soort hoteldienst en niet om de kortdurende verhuur van een appartement. Of toch wel? Uiteindelijk zal de rechter het zeggen.
Geplaatst op 16-06-2020
Belastingdienst lijdt gevoelige nederlaag bij managementparticipatie
In de kantlijnen van een casus die toch al landelijke bekendheid kreeg was er een kleine twee weken geleden nieuws over de fiscale gevolgen van een wat slordig uitgevoerde personeelsparticipatie. Wat was het geval:

Een investmentmanager van een private equitybedrijf besloot een paar maanden na de acquisitie om bij de aangekochte vennootschap financieel directeur te worden. Onderdeel van het arbeidsvoorwaardenpakket was de mogelijkheid om voor de nominale waarde mee t doen in het aandelenkapitaal van de vennootschap. Bij een succesvolle exit, het ultieme doel van iedere private equityclub, kon de manager mooi een graantje meepikken. Belast of onbelast, dat was the question.

Tegenwoordig hebben we voor dit soort gevallen de lucratief belangregeling. Kleine (<5%) participaties die bedoeld zijn als beloningsvoordeel vallen voor wat betreft de waardeontwikkeling in box 1 en dat betekent dat bij een succesvolle exit zomaar de helft van de buit door de Belastingdienst wordt afgeroomd. Een beetje slimme structurering van kleine managementparticipaties kan de schade terugbrengen tot het box 2 – tarief van 26,25%, maar de belasting blijft.

In dit geval was die lucratief belangregeling nog niet aan de orde. De manager in kwestie had de certificaten van aandelen ondergebracht in een familiestichting die de certificaten op hun beurt een tweede keer doorcertificeerde, naar de manager en zijn kinderen, en wel zodanig dat ze geen van allen een box 2 – belang hadden. Na twee jaar werd in verband met een herfinanciering de onderliggende vennootschap verhangen maar de manager vergat de voorwaarden van de certificering aan te passen. De inspecteur zag zijn kans schoon en betoogde dat de familiestichting geen certificeringsstichting meer was maar een zelfstandige stichting, waarbij er sprake was van een aanmerkelijk belang dat toegerekend moest worden aan de manager. Toen de manager later, in 2010, zijn belang kon verzilveren voor bijna € 25 miljoen presenteerde de Belastingdienst een forse rekening. Ook vond de Belastingdienst dat de certificaten eigenlijk niet door de kinderen konden worden gehouden, omdat de aandelen ‘verknocht’ waren aan de dienstbetrekking van de manager. Alleen daarom al was er sprake van een aanmerkelijk belang van de manager.

De Advocaat-Generaal bracht een advies uit aan de Hoge Raad en gaf de inspecteur gelijk. Onder normale omstandigheden wijkt de Hoge Raad niet heel vaak diametraal af van een advies van de AG, maar kennelijk waren de omstandigheden hier anders. De Hoge Raad betoogde dat het foutje in de certificeringsvoorwaarden (de verkeerde aandelen waren gecertificeerd) niet dodelijk hoefde te zijn, omdat de bedoeling van de manager duidelijk was. De familiestichting werd door de Hoge Raad dan ook gezien als een echte certificeringsstichting en geen zelfstandige stichting. Ook verwees de Hoge Raad (net als het gerechtshof overigens) de stelling van de inspecteur, dat alleen de manager aandeelhouder kon zijn en niet ook zijn kinderen, naar de prullenbak. Dat een werkgever in het reglement heeft staan dat de certificaten of aandelen niet mogen worden overgedragen betekent niet dat ze niet kunnen worden overgedragen.

De inspecteur beet dus vlak voor de eindstreep toch nog in het stof. De argumenten met betrekking tot de certificering waren tamelijk zaakspecifiek en dus misschien wat minder belangrijk voor de algemene praktijk, maar met name de argumentatie rondom de verknochtheid van de aandelen aan het werknemerschap worden door de Belastingdienst nog al eens van stal gehaald om een personeelsparticipatie in de loonsfeer te trekken. Dat argument is er nu dus niet meer.
De vraag is natuurlijk wat de inspecteur had gedaan als er niet zo’n spectaculaire winst op de aandelen was geboekt. Hoe dan ook, de lucratief belangregeling maakt dat dit soort excessen onder het bereik van de belastingheffing valt.
Geplaatst op 09-06-2020
Fiscale rechters beperken bewegingsruimte van private equity
Ze zijn bijna dagelijks in het nieuws, de opkoopfondsen die bedrijven opkopen, een tijdje in bezit houden en vervolgens weer doorverkopen. Ze zijn er in alle soorten en maten. Sommige nemen alleen minderheidsbelangen, sommige alleen meerderheidsbelangen. Andere bemoeien zich heel actief met de aangekochte onderneming, en weer andere laten de onderneming zoveel mogelijk ongemoeid. Gemeenschappelijk element is dat ze werken met geld dat niet uit de publieke markt afkomstig is, lees, dat niet via een effectenbeurs is verkregen. Zo’n beursnotering is maar lastig, al die aandacht en regeltjes. Private equity werkt met – het woord zegt het al – privaat geld dat afkomstig is van partijen die veel geld hebben en die graag via een wat directere weg willen investeren in bedrijven die de moeite waard zijn. Dat private geld komt bijvoorbeeld van verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en van rijke families.

Het is altijd handig om je polsstok wat te verlengen als je een overname moet financieren. Een beetje geld lenen om je masse de manoeuvre wat te vergroten kan natuurlijk best. Sommige private equityfondsen gaan daarin erg ver en werken met agressieve financieringsstructuren waarbij er veel vreemd geld in de onderneming wordt gepompt. Letterlijk vreemd geld, want de leningen zijn vaak afkomstig van fondsen die gevestigd zijn op een tropisch eiland met een vriendelijk belastingklimaat. De truc is dat de rente op de lening, vaak een hoog percentage want de voorwaarden van de lening zijn meestal boterzacht, in Nederland tegen een hoog belastingpercentage wordt afgetrokken en dat de corresponderende rentebate (de ‘pickup’) in het belastingparadijs laag wordt belast.

In de loop van de jaren heeft de Nederlandse belastingwetgever tal van bepalingen opgenomen in de wet vennootschapsbelasting die dit soort structuren moeten tegengaan. Eén van de belangrijkste is de regeling dat het inlenen van geld van een gelieerde vennootschap niet tot renteaftrek leidt als de lening wordt gebruikt voor (bijvoorbeeld) een overname. Creatieve private equityfondsen hadden daar al snel een antwoord op en dat was de vorming van een quasi niet-gelieerd financieringsfonds in een belastingparadijs. Om dat nu weer tegen te gaan wordt vanaf 2021 een bronbelasting op rente, betaald aan belastingparadijzen, geïntroduceerd. Dat het zover moet komen is opmerkelijk. De afwezigheid van bronbelastingen op rente was jarenlang een van de belangrijkste assets van het Nederlandse belastingklimaat.

Parallel hieraan zijn er ook andere ontwikkelingen. Ondergoedwinkel Hunkemöller blijkt ook met zo’n agressieve financieringsstructuur van eigenaar te zijn gewisseld. De inspecteur wilde de renteaftrek op de overnamefinanciering bij Hunkemöller aanpakken en trok alles uit de kast. Naast de detailbestrijding van allerhande fiscaaltechnische hoogstandjes trok hij ook het wapen van de wetsontduiking uit de kast. Als een structuur eigenlijk alleen maar een fiscaal doel dient kan de inspecteur renteaftrek weigeren als die duidelijk strijdig is met doel en strekking van de wet. Dat is nogal wat. Als dat zou worden gehonoreerd door de fiscale rechter heb je eigenlijk al die reparatiewetgeving op de vierkante centimeter niet meer nodig.

Tot grote verbazing van tout fiscaal Nederland honoreerden Rechtbank, Gerechtshof en ook de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad het beroep op wetsontduiking, met een mooie term fraus legis geheten. Het wachten is nu op de Hoge Raad. Inmiddels is ook in andere zaken dan de Hunkemöller-casus het beroep van de inspecteur op fraus legis gehonoreerd. De grote vraag is of de Hoge Raad bereid is zich achter deze ontwikkeling op te stellen. Wij en alle andere fiscalisten in Nederland wachten met grote spanning af.
Geplaatst op 16-07-2019
De grote opruiming - of toch niet?
Hoe lang moet je stukken bewaren? Voor ondernemers geldt een bewaartermijn van 7 jaren. Daarna kunnen de spullen in het ronde archief. Niet alle stukken natuurlijk, zaken als statuten, overeenkomsten en andere onderdelen van het permanente dossier bewaar je natuurlijk. Maar oude kasboeken, kassarollen, boekhoudjournaals en andere rommel kan gewoon weg.

Voor een particulier gelden geen bewaartermijnen. Daarmee moet een particuliere belastingbetaler gewoon voldoen aan de wettelijke bewijsregel, en wel op zo’n manier dat de particulier naar de inspecteur toe aannemelijk kan maken dat er bepaalde kosten zijn gemaakt. Betaalde hypotheekrente en andere kosten van de eigen woning, bijvoorbeeld, kunnen worden onderworpen aan een nader onderzoek van de inspecteur en dan kun je maar beter je dossier op orde hebben. Echter, de lange arm van de inspecteur reikt niet onbeperkt tot in het verleden, immers, de inspecteur mag maar 5 jaren terug. Een belastingplichtige kreeg in 2015 vragen over de hypotheekrenteaftrek  over een verbouwing in 2007 en meldde de inspecteur droogjes dat de inspecteur buiten de termijn was. Zoals gezegd, de inspecteur mag maar 5 jaren terug en in 2015 was de mogelijkheid om nog aan de aanslag 2007 te morrelen al wel een tijdje voorbij. De betreffende belastingbetaler kon overigens geen bewijzen meer overleggen die een nader licht op de verbouwingskosten en de financiering daarvan in 2007 konden werpen – dat hielp niet echt mee natuurlijk. Voor het Gerechtshof kreeg de belastingbetaler gelijk: De inspecteur had eerder moeten vragen. In dit calvinistische land, waar een ieder verondersteld wordt in het zweet des aanschijns zijn geld te verdienen, is geen plaats voor luie inspecteurs.

De inspecteur liet zich niet met dit oordeel afschepen en zocht het hogerop. De Hoge Raad redde zijn tere huid: De Hoge Raad stelde vast dat de belastingplichtige de hypotheekrenteaftrek met schriftelijke stukken moet onderbouwen en dat de wet de inspecteur niet voorschrijft om die schriftelijke stukken binnen de navorderingstermijn op te vragen. Vrolijk zoch de inspecteur zijn hangmat weer op, gered door de Hoger raad.

Voor de praktijk toch wel een belangrijk arrest. Weliswaar denken wij niet dat er veel mensen zijn die hypotheekstukken weggooien, maar wij denken wel dat er situaties denkbaar zijn waarin het verband tussen financiering en aanschaf/onderhoud/verbetering eigen woning niet heel sterk is en de belastingbetaler belang heeft bij wat ruis. Dat de inspecteur daar ook na het verstrijken van het einde van de navorderingstermijn nog vragen over kan stellen vinden wij eigenlijk vrij normaal.
Geplaatst op 16-06-2019
Paraplukredieten en groepsaansprakelijkheid
Hoe vaak komt het niet voor: Een onderneming bestaat uit verschillende vennootschappen en gaat een gezamenlijke kredietfaciliteit aan bij een bank. De faciliteit voorziet in financiering voor alle deelnemende vennootschappen onder voorwaarde dat er sprake is van hoofdelijkheid, rentecompensatie en saldocompensatie (en/of).

In een arrest uit 2012 is het paraplukrediet al aan de orde geweest. Dit arrest is curieus en heeft tot veel discussie in de literatuur geleid. Je zou namelijk verwachten dat de Hoge Raad de parapluovereenkomst beoordeelt aan de hand van het criterium van de onzakelijkheid, zoals ook bij de onzakelijke lening. Dat is een lening waarvan het debiteurenrisico zo groot is dat een onafhankelijke derde dit risico niet zou aangaan, omdat er geen rentevergoeding bestaat die dat risico kan compenseren. Je zou verwachten dat de Hoge Raad dit criterium ook op de paraplukrediet-concerns zou leggen. Merkwaardig genoeg heeft de Hoge Raad een eigen begrippenkader ontwikkeld voor de paraplukredieten. Dat zijn:

-een gezamenlijke kredietlijn
-een hoofdelijke aansprakelijkheid voor alle betrokken vennootschappen
-een achterstelling van regresvorderingen bij (bank)schulden onder de paraplulening.

Daarna stelt de Hoge Raad, dat het aanvaarden door de vennootschap van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schulden van die andere vennootschappen, zijn oorzaak vindt in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen die vennootschap en die andere vennootschappen.

Is aan al die vier voorwaarden voldaan, dan is sprake van een paraplukrediet en dan kan het zo zijn dat een vennootschap die wordt aangesproken voor tekorten van een andere vennootschap, dit bedrag niet kan aftrekken.

De redenering van de Hoge Raad is uiterst curieus. Als je als groep in zijn geheel beter wordt van zo´n paraplu-overeenkomst met een bank, dan kun je toch moeilijk stellen dat de oorzaak ligt in de onderlinge vennootschappelijke betrekkingen. Ook vennootschappen die niet een onderling aandelenverband hebben zouden in beginsel onder een paraplukrediet kunnen vallen. Kortom, de Hoge Raad heeft met het arrest uit 2012 meer onduidelijkheid gecreëerd dan helderheid geschapen.

Recent heeft de Hoge Raad wat meer contouren in de discussie over de paraplu-overeenkomsten gebracht. Aan de orde was een geval waarin een moedermaatschappij aansprakelijk werd gesteld voor de niet terugbetaalde bankkredieten van een dochtermaatschappij. Onder normale omstandigheden geldt hier de onzakelijke-leningjurisprudentie: Als de moeder door de bank wordt aangesproken, kan die moeder dat verlies aftrekken als de hoofdelijkheid niet onzakelijk is. De inspecteur stelde echter dat het paraplukredietarrest uit 2012 van toepassing was, waarin dus (wellicht ten onrechte) is gesteld dat de expliciete onzakelijkheid niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt. Dit werd de Hoge Raad te gortig, de normale onzakelijkheidsjurisprudentie is hier van toepassing. De inspecteur moest de onzakelijkheid van de hoofdelijkheid aannemelijk maken en dat lukte niet. De werking van het paraplukredietarrest blijft dus beperkt tot paraplukredieten – best logisch eigenlijk.

Het kan ook anders: In een andere procedure stelde de belastingplichtige dat er geen sprake was van een paraplukrediet. Volgens de Hoge Raad wordt namelijk al voldaan aan de criteria voor toepassing van het paraplukrediet ‘wanneer afzonderlijke, aan het arrangement deelnemende concernvennootschappen door het arrangement in staat worden gesteld krediet op te nemen bij een niet tot het concern behorende schuldeiser. De deelnemende concernvennootschappen lopen dan immers al een risico, in functie van het groepsbelang, wanneer een van de deelnemende vennootschappen krediet opneemt onder het arrangement. Zij aanvaarden dan een aansprakelijkheid die groter is dan de aansprakelijkheid die bestaat bij het zelfstandig aantrekken van vreemd vermogen’. In gewone mensentaal: Een kredietarrangement dat voorziet in saldocompensatie is een paraplukrediet.

Dan nog een nabrander: Nadelen uit hoofde van een paraplukrediet zijn niet aftrekbaar. Maar de voordelen dan? Zijn die dan niet belast? Als een dochtermaatschappij onder zo’n parapluovereenkomst tegen 3% rente kan lenen, terwijl zonder paraplukrediet 5% betaald had moeten worden, is dan 3% aftrekbaar of 5%? Dat laatste zou passen in de totale winstgedachte, maar de Hoge Raad zwijgt stoïcijns. Het wachten is op een avonturier die deze stelling inneemt en uitprocedeert.
Geplaatst op 15-07-2019
Houd de wanbetalers in de gaten!
Afnemers van goederen of diensten die niet of veel te laat betalen; een doorn in het oog van menig ondernemer. En dan pakt de Wet Omzetbelasting door het factuurstelsel ook nog eens nadelig uit. Als je aan de ontvangende kant van het spectrum zit, moet je de verschuldigde omzetbelasting al wel afdragen, ondanks dat de factuur nog niet is betaald. En dat terwijl de “wanbetaler” de aan hem/haar in rekening gebrachte omzetbelasting gewoon als verrekenbare voorbelasting kan terugvragen en door de fiscus krijgt uitbetaald, ondanks dat de factuur niet wordt betaald. Dat voelt niet helemaal lekker.
Gelukkig heeft de Wet Omzetbelasting daarin voorzien. Als duidelijk is dat de “wanbetaler” de factuur niet betaalt, dan moet deze niet alleen de als voorbelasting teruggevraagde omzetbelasting aan de fiscus terugbetalen,  onze goedwillende leverancier/dienstverlener kan de eerder afgedragen omzetbelasting eveneens bij de fiscus terugvragen. Eind goed al goed, zou je zo denken.
Het probleem is echter, dat dit teruggaveverzoek op tijd moet worden gedaan. Namelijk direct nadat duidelijk werd dat de “wanbetaler” niet kan of zal betalen. Omdat dit niet altijd even duidelijk is, heeft de wetgever de regeling op 1 januari 2016 vereenvoudigd. Verondersteld wordt nu, dat als de factuur niet binnen één jaar wordt betaald, er sowieso sprake is van terugbetaling van  omzetbelasting door de “wanbetaler”. En na afloop van datzelfde jaar kan de leverancier/dienstverlener de eerder afgedragen omzetbelasting bij de fiscus terugvragen.
Maar wat nu als de leverancier/dienstverlener (iets) te laat is met dit teruggaveverzoek? Recent heeft de Hoge Raad beslist dat deze termijn strikt moet worden nageleefd. Dit ondanks het feit dat de Advocaat Generaal in het voorstadium een meer soepelere benadering had bepleit. Het ging er toch immers om dat als de “wanbetaler” de omzetbelasting terugbetaalt, de leverancier/dienstverlener ditzelfde bedrag aan omzetbelasting gewoon moet terugkrijgen. En dat zou volgens de Advocaat Generaal niet moeten vastzitten op een formaliteit, zoals een (iets) te laat ingediend verzoek.
Niks daarvan, zo concludeerde de Hoge Raad. De wet is duidelijk; een jaar is een jaar en niet langer. En deze termijn is zelfs korter als binnen dat jaar duidelijk werd dat de “wanbetaler” niet volledig kan of zal betalen. Bijvoorbeeld bij faillissement of als de openstaande vordering voor een lagere waarde wordt overgedragen aan een ander of in een overeenkomst van geldlening wordt omgezet.  Let dus goed op uw “wanbetalers” en houdt de termijnen voor het tijdig terugvragen van omzetbelasting op oninbare facturen nauwlettend in de gaten.
Geplaatst op 11-03-2019
Goede tijden, slechte tijden - over de middelingsregeling
Hoe graag we het ook zouden willen, helaas hebben we het niet altijd voor het zeggen. Dat geldt – zeker voor wat betreft de gemiddelde Nederlander - niet alleen voor het weer, maar ook voor ons inkomen. Bij ondernemers/winstgenieters komt het meer dan eens voor dat jaren, waarin de omzet- en winstbomen tot aan de hemel reiken, worden afgewisseld met jaren waarin de gedachte regelmatig opkomt: och, waar ben ik aan begonnen? Of zoals Johan Wolfgang von Goethe ooit schreef: “Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt”.
Voor de situaties als deze is de middelingsregeling in het fiscale leven geroepen. Jaren waarin de progressie van het inkomstenbelasting (Box 1) regime verwoestende sporen achterlaat, kunnen op verzoek worden gemiddeld met jaren waarin men nauwelijks aan belastingheffing toekomt. Een bepaald sympathieke fiscale maatregel, zo lijkt ons.
Uit grondig onderzoek door het Ministerie van Financiën blijkt echter, dat deze middelingsregeling door menig belastingplichtige wordt vergeten. En nog erger, zelfs “de boekhouder” denkt er niet altijd aan. Vandaar dat de middelingsregeling eind vorig jaar is geëvalueerd, met als conclusie dat het allemaal anders moet. Meerdere varianten komen in het rapport van november 2018 aan bod. Zelfs de variant: “afschaffen die handel” wordt als serieuze optie besproken. Voorlopig is dit echter nog niet aan de orde.
Wel heeft de Belastingdienst aangekondigd dat een zelf opgestelde berekening vanaf 11 maart 2019 niet meer hoeft worden meegestuurd bij het middelingsverzoek. Kennelijk heeft de fiscus zijn computersystemen inmiddels zodanig op orde, dat de Inspecteur zelf ook een middelingsberekening kan maken. Het moet niet gekker worden.
Met het evaluatierapport van november vorig jaar en deze aankondiging van de fiscus worden belastingplichtigen met sterk wisselende (Box 1) inkomens - en mogelijk ook hun adviseurs – nogmaals uitdrukkelijk op de middelingsregeling gewezen. Het (belasting)geld ligt soms gewoon voor het oprapen.
Geplaatst op 12-11-2018
Privé gebruik auto en “zakelijke” verplichtingen in privé tijd.
Sommige ondernemers hebben niet alleen een fraaie en soms zelfs dure zakelijke auto, maar ook een broertje dood aan de bijtelling voor privégebruik. Zodanig zelfs, dat ze zich nog liever met de fiets of een gedateerd tweedehandsje (de privé auto) buiten het werk om verplaatsen, dan zoveel aan de fiscus te betalen voor de zakelijke bolide. En ja, dat betekent kilometers bijhouden. Dit om te voorkomen dat de Inspecteur achteraf kan stellen, dat er toch privé met de “auto van de zaak” is gereden.

Vanwege hun rijke sociale zakelijke leven en/of commerciële kwaliteiten, moeten ondernemers in de weekenden of tijdens/na werktijd wel eens naar plekken, waar anderen ook louter voor hun plezier te vinden zijn. Denk hierbij aan de golfclub en het voetbalstadion. Op dergelijke plekken wordt immers menig zakelijke deal beklonken. Of op z’n minst nuttige zakelijke contacten gelegd. Zo ook de directeur/aandeelhouder in kwestie. Deze ondernemer ging niet op de fiets, maar met de zakelijke auto naar de golfclub. En niet één keer, nee maar liefst 79 keer was hij in het betreffende jaar op de green te vinden. Volgens hem waren dit allemaal zakelijke bijeenkomsten en dus ook zakelijke ritten met de zakelijke auto. Van privé gebruik kon dan ook  geen sprake zijn.

Niet alleen de belastinginspecteur, maar ook het gerechtshof in Den Bosch dacht daar genuanceerd anders over. Gelet op de inkomens- en vermogenspositie van de  ondernemer in kwestie, was het Hof van mening dat een met de ondernemer vergelijkbaar persoon, 17 keer per jaar op een golfclub te vinden zou zijn. Waar het Hof de wijsheid vandaan haalt, dat het kennelijk gebruikelijk is dat een met de ondernemer vergelijkbaar persoon überhaupt golft en dan ook nog bijna anderhalf keer per maand de tijd vindt om de 18 holes af te lopen, blijft gissen. Rechters noemen dat doorgaans: “in goede justitie vastgesteld”; wij ook wel: “geef er maar een klap op”. Hoe het ook zij, de ondernemer kwam door deze beslissing van het Hof, boven de 500 privé kilometers uit en kreeg daarmee de bijtelling aan de al dan niet geruite broek.

Wees dus voorzichtig met het volledig als zakelijk aanmerken van autoritten, als blijkt dat privé personen - meestal buiten werktijd - hier voor hun lol ook naar toegaan. De golfclub en het voetbalstadion zijn bij uitstek bestemmingen, waar de fiscus een mening over kan hebben. En voor dat men er erg in heeft, is de magische grens van 500 privé-kilometers overschreden.
Geplaatst op 22-08-2018
Business seats en btw, net als Helmond Sport uit, altijd lastig
Stel dat je als ondernemer zakelijke kansen ziet én er lol aan beleeft om eens in de twee weken – in deze regio tegenwoordig veelal op vrijdagavond – met een zakelijke relatie en/of werknemer naar de lokale FC te gaan, dan kan het zo maar zijn dat ook de fiscus meekijkt. En dan niet naar de wedstijd, maar naar de btw-aspecten.
Menig ondernemer is van mening dat de kosten voor business seats of Skybox vooral zakelijk van aard zijn. Want zo leuk is het nu ook weer niet om het zoveelste “tikkie breed” te moeten aanschouwen. Zeker in gezelschap van die veeleisende zakelijke relatie en/of werknemer. En dat in de toch al zo schaarse vrije tijd. Als het privé element dan niet voorop staat, zou de btw op deze kosten toch aftrekbaar moeten zijn. Volgens voetballogica kent immers elk nadeel zijn voordeel.
Volgens de Belastingdienst en ook de fiscale rechter ligt dit mogelijk toch wat genuanceerder. Een zakelijke relatie “trakteren” op een avondje (of middag)  uit naar het stadion met – als we er dan toch zijn – een hapje en een drankje, wordt als relatiegeschenk gezien. Voor de omzetbelasting komt dan het BUA (Besluit Uitsluiting Aftrek) om de hoek kijken. Bij overschrijding van het drempelbedrag van € 227 (kosten exclusief btw; per jaar per gelukkig), is de btw op grond van dit besluit niet aftrekbaar. 
Als de ondernemer richting fiscus niet kan aantonen welke zakelijke relaties zijn ingegaan op zijn uitnodiging om mee te gaan naar het stadion, zal de Inspecteur al vrij snel kunnen stellen dat .het drempelbedrag is overschreden. Weg btw-aftrek. Namen en rugnummers noteren dus.
Ook als een werknemer naast de ondernemer plaats neemt op de tribune of in de sponsorlounge, ligt  btw aftrek onder vuur. Tenzij aannemelijk gemaakt kan worden dat de werknemer vooral meegaat om de zakelijke relaties van de ondernemer te vergezellen. In dat geval staat het privé/recreatieve aspect niet voorop. Zelfs niet als de werknemer het stiekem best leuk vindt om een avondje van huis te zijn. Maar ook geldt het devies: goed bijhouden en bewaren. De fiscale nacompetitie duurt immers maximaal 5 jaar.
Geplaatst op 21-03-2018
Hof van Justitie EU splijt de fiscale eenheid!
Het Hof van Justitie EU heeft onlangs beslist dat de regeling voor de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting strijdig kan zijn met de vrijheid van vestiging. Dat is in elk geval beslist voor de situatie dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet vpb speelt.

Kort gezegd komt artikel 10a Wet vpb erop neer dat er geen aftrek van rente wordt verleend, indien schulden aan verbonden lichamen zijn aangewend voor storting van kapitaal, uitkering van dividend of verwerving van een deelneming van een verbonden lichaam. Doel van de regeling is om renteaftrek in Nederland te voorkomen, indien de corresponderende rente (veelal in het buitenland) niet of nauwelijks wordt belast en bovendien op concernniveau er eigenlijk geen wijziging van de vermogenspositie is.

Binnen fiscale eenheid zie je de genoemde rechtshandelingen niet terug, omdat er een consolidatie plaatsvindt, m.a.w. vennootschappen samenvoegen alsof er maar één vennootschap is. In die situatie is er geen beperking van de renteaftrek, omdat er immers geen rente zichtbaar is.

Tussen een NL-vennootschap en een EU-vennootschap is dat anders, omdat tussen dergelijke vennootschappen geen fiscale eenheid mogelijk is. Het Hof van Justitie EU zegt dat dit strijdig is met het EU-recht. De EU-vennootschap wordt namelijk fiscaal slechter behandeld dan een vergelijkbare Nederlandse vennootschap.

De Staatssecretaris van Financiën had in eerdere instantie al spoedmaatregelen aangekondigd , die in zouden gaan op 25 oktober 2017, indien HvJ EU Nederland in het ongelijk zou stellen. Een en ander ter voorkoming van flinke derving van belastinginkomsten.

De belangrijkste maatregel daaruit is dat voor de toepassing van artikel 10a Wet vpb gedaan wordt alsof er geen fiscale eenheid vennootschapsbelasting bestaat.

Gevolg zal zijn dat menig fiscale-eenheid-vennootschappen te maken kunnen krijgen met een beperking van de renteaftrek. En dat kunnen ook gewone mkb-bedrijven zijn. Zij worden nu gestraft met een regeling, die eigenlijk bedoeld was om te voorkomen dat grondslagen van het Nederlandse resultaat van internationale concerns werden uitgehold ten laste van de Nederlandse schatkist.

Naast deze maatregel is er voor de fiscale eenheid o.a. ook een wijziging opgenomen voor de deelnemingsrente en de verliesverrekening. Verder heeft de Staatssecretaris  aangekondigd, indien nodig, meer maatregelen te treffen.
De spoedmaatregelen zullen in het 2e kwartaal 2018 in een wetsvoorstel worden verwerkt. De genoemde maatregelen zijn een voorbode van een algehele wijziging van het fiscale-eenheidsregime. Dat nieuwe regime zal de komende jaren vorm moeten krijgen.

Voorlopig (of zal dit blijvend zijn?) blijft een deel van het mkb echter wel met de gebakken peren zitten.
Geplaatst op 23-01-2018
Zonnepanelen - goed nieuws voor trendsetters
Op weg naar een duurzame energievoorziening stuiten burgers op tal van hindernissen. Vergunningen, moeilijkdoenerij van energiemaatschappijen, onzekerheid over de salderingsregeling, een lange terugverdienperiode, je moet van goeden huize komen om een warmtepomp te installeren of om je dak te voorzien van zonnepanelen. Gelukkig heeft een Oostenrijker, een zekere heer Fuchs, baanbrekend werk verricht door in 2013 de Europese Rechter zo ver te krijgen dat hij de BTW op zijn zonnepaneleninstallatie kon terugkrijgen. Een particulier die zonne-energie opwekt en teruglevert aan het net is ondernemer voor de BTW en kan daarmee de BTW op de investering terugvragen.
Nu heb je overal trendsetters en trendvolgers. Hoewel het plaatsen van zonnepanelen vooral de laatste paar jaren een grote vlucht heeft genomen, waren er in 2012 nog niet zo bar veel mensen die een zonne-installatie op hun dak hadden laten plaatsen. Deze trendsetters hadden dus pech omdat zij de BTW op hun installatie niet terug hadden gekregen. Immers, Fuchs leverde zijn baanbrekende staaltje pas in 2013.
Wil je BTW terug kunnen krijgen dan moet je denken aan de termijnen. Binnen zes weken na het BTW-tijdvak moet je in bezwaar gaan. Dat is wel een beetje vreemd, immers, als je niet wist dat je ondernemer was heb je ook nooit aangifte gedaan. Gewoon een briefje sturen met een teruggaafverzoek dan? Ook gebonden aan termijnen, volgens de inspecteur aflopend op 31 januari 2013. Je zou toch zeggen dat je binnen de vijfjaarstermijn een verzoek had kunnen doen over 2012. Maar de inspecteur was onverbiddelijk. Geen verzoek gedaan tot uitreiking van een aangiftebiljet? Geen teruggaaf! Te laat met het teruggaafverzoek? Geen teruggaaf. Je zou zeggen dat de overheid de voorlopers op duurzaam energiegebied wel wat meer ter willen had mogen zijn, maar die overweging is niet aan de belastinginspecteur.

Inmiddels zijn er enkele procedures aangespannen door early-adaptors en die hebben tot verrassende resultaten geleid. De Hoge Raad wees het recht op BTW teruggaaf op een pré-Fuchs installatie onlangs toe. De Hoge Raad meende dat je in de Nederlandse belastingwet niet tegengeworpen kunt krijgen dat je niet zelf om een aangiftebiljet hebt gevraagd als je geen belasting verschuldigd was. Kortom, als je belasting terugkrijgt kun je eigenlijk nog tot Sint-Juttemis wachten met het aanvragen van een aangiftebiljet, wat zoveel betekent dat iedereen die voor 2013 zonnepanelen heeft aangeschaft nog kan verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet omzetbelasting en via die aangifte het teruggaafverzoek kan doen. Kortom, het is nog niet te laat, althans, dat vindt de Hoge Raad.

In de tussentijd heeft de Belastingdienst gereageerd. Verzoeken tot uitreiking van een aangiftebiljet die voor 31 december 2017 zijn gedaan voor het jaar 2012 worden gehonoreerd. Op dat aangiftebiljet kan de investerings-BTW worden teruggevraagd. Verzoeken na 31/12/2017 over het tijdvak 2012 worden voorlopig aangehouden. Dat is een nette omschrijving voor zoiets als: –we weten ook niet wat we ermee moeten en we wachten op nadere wijsheid. Ook verzoeken om uitreiking van aangiftebiljetten over tijdvakken in 2011 en eerder worden aangehouden. Vreemd wel eigenlijk, het arrest van de Hoge Raad is duidelijk en niet doen wat de rechter je impliciet opdraagt is niet heel chic.
Geplaatst op 20-11-2017
Wat is dat toch met die dividendbelasting?
Het zal u ongetwijfeld niet zijn ontgaan dat er op dit moment een hoop gedoe is over de dividendbelasting. Het nieuwe kabinet wringt zich in allerlei bochten om aan de oppositie en andere critici uit leggen, waarom afschaffing van de dividendbelasting zo noodzakelijk is voor onze Nederlandse economie. Afschaffing van de dividendbelasting kost de Nederlandse schatkist volgens ingewijden weliswaar € 1,4 miljard; kennelijk is dit nodig om ons land voor het internationaal grootbedrijf aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats. Bovendien heeft de huidige dividendbelasting tot diverse procedures voor de fiscale rechter geleid. Buitenlandse aandeelhouders van namelijk mening zijn dat zij oneerlijk worden behandeld ten opzichte van in Nederland woonachtige/gevestigde aandeelhouders. Met afschaffing van de dividendbelasting zijn we daar ook maar mooi van af.
Bij al dit gedoe wordt door menig Nederlandse aandeelhouder uit het oog verloren, dat de dividendbelasting voor hen niet meer is dan een voorheffing voor de in privé verschuldigde inkomstenbelasting. Dit geldt in het bijzonder voor de aanmerkelijk belangaandeelhouder. Kort door de bocht geformuleerd is dit de aandeelhouder met een belang van tenminste 5% in een bv of vergelijkbare rechtspersoon. Bij deze aanmerkelijk belangaandeelhouder zijn ontvangen dividenden en winsten bij verkoop van aandelen belast tegen 25%. Dit heet de aanmerkelijk belangheffing en deze belasting wordt belast in box 2.
Afschaffing van de dividendbelasting betekent dat de aanmerkelijk belangaandeelhouder het dividend in het vervolg weliswaar zonder inhouding van dividendbelasting ontvangt, maar bij de aangifte inkomstenbelasting is dit dividend gewoon in box 2 belast. Het percentage van de dividendbelasting doet er dus niet zoveel toe.
Eén van de andere aangekondigde maatregelen van ons nieuwe kabinet is de stapsgewijze verhoging van de aanmerkelijk belangheffing, en wel van 25% naar 28,5%. Dit is ter compensatie voor de eveneens aangekondigde verlaging van de vennootschapsbelasting. Op deze manier blijft het globaal evenwicht in stand, namelijk tenminste 40% gecombineerde vennootschapsbelasting en aanmerkelijk belangheffing over winsten van de bv die als dividend worden uitgekeerd.
Maar wat als het hogere aanmerkelijk belangtarief ook geldt voor dividend uit winstreserves van de bv, die zijn opgebouwd met het huidige, hogere vennootschapsbelastingtarief? Niks globaal evenwicht; sterker nog in dat geval is er sprake van een tariefsverhoging van 3,5%. Dus in plaats van belastingverlichting, die wel geldt voor in Nederland gevestigde bv`s etc. (lagere vennootschapsbelasting), zeker als deze bv`s dividend uitkeren aan buitenlandse aandeelhouders (afschaffing dividendbelasting), dreigt de Nederlandse aanmerkelijk belangaandeelhouder juist meer te betalen over na 1 januari 2019 uit te keren dividenden. Dit tenzij er een overgangsregeling komt, voor alle tot en met 2018 “verdiende winstreserves” die pas na 1 januari 2019 worden uitgekeerd.
Als een dergelijke overgangsregeling er niet komt, moet vanaf volgend jaar goed worden gekeken of dividenduitkeringen misschien niet naar voren moeten worden gehaald, ondanks de box 3 heffing die in dat geval over de netto dividenden in privé moet worden betaald. Zoals waarschijnlijk bekend valt over de hoogte van de box 3 heffing ook het nodige te zeggen, maar dit terzijde.
Geplaatst op 27-09-2017
Prinsjesdag 2017
Prinsjesdag bezorgt Nederland elk jaar opnieuw een stortvloed aan wijzigingen in de fiscale wetgeving en een navenante hoeveelheid studie-uren voor de belastingadviseur.
De trage formering van een nieuw kabinet heeft ervoor gezorgd dat deze traditie in ieder geval dit jaar een pas op de plaats maakt. Het demissionaire kabinet heeft, zoals verwacht, slechts mondjesmaat nieuwe wetsvoorstellen gelanceerd.
Uiteraard zijn er de gebruikelijke tariefswijzigingen in de inkomstenbelasting. Deze wijzigingen leiden er toe dat, bij een gelijkblijvend bruto inkomen, er in 2018 netto iets meer overblijft dan in 2017.
Een wetsvoorstel dat er uitspringt gaat over schenkingsaspecten bij wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Kort gezegd houdt dat in dat als bij overgang naar een gemeenschap van goederen een van de partners meer dan 50% krijgt en hij/zij voor die tijd minder bezat dan 50% er sprake is van een schenking van het meerdere boven de 50%.  Ook als een partner al meer dan 50% had en hij/zij krijgt er nog iets bij, is dat extra stukje erbij een schenking.
In het kielzog van dit voorstel is een anti-misbruikbepaling opgenomen welke het ontgaan van schenk- en erfbelasting moet tegengaan door het aangaan van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingsovereenkomst.
Een nieuw kabinet zal pas over enige tijd met fiscale wetsvoorstellen komen. Voordeel van de trage kabinetsformatie is dat wij als belastingadviseurs in elk geval een iets rustiger najaar hebben. Ook wel lekker hoor!
Geplaatst op 06-09-2017
Ultimatum: de inkeerregeling op de schop.
Belastingplichtigen met verzwegen buitenlandse vermogens of inkomsten hebben de mogelijkheid om met “korting” in te keren. Wanneer er vrijwillig een verbeterde (lees: volledige) aangifte wordt ingediend, zal de boete voor het (in eerste instantie) onjuist doen van de aangifte worden gematigd. In 2017 bedraagt deze matiging nog 60% van de maximale boete. Voor de twee meest recente jaren waarover wordt ingekeerd bedraagt de boetematiging zelfs 100%.

De wereldwijde gegevensuitwisseling tussen belastingdiensten neemt alsmaar toe; vanaf 2018 zal zelfs het “als immer sicher geltende” Zwitserland bankgegevens gaan uitwisselen met de Nederlandse fiscus. Hierdoor wordt het nagenoeg onmogelijk om buitenlands vermogen of inkomsten buiten het zicht te houden van de Nederlandse belastingdienst.

Onze staatssecretaris heeft “zwartspaarders” een ultimatum gesteld en zal met ingang van 1 januari 2018 de inkeerregeling schrappen. Boetes worden niet meer gematigd, ook niet voor de laatste twee jaar.

Voor belastingplichtigen met verzwegen buitenlandse vermogens of –inkomsten is het van cruciaal belang om voor 1 januari 2018 te handelen.

Ter verduidelijking:
Tot 1 januari wordt de boete voor het niet aangeven van vermogensbestandsdelen gematigd tot 120% van de verschuldigde belasting. Na 1 januari bedraagt de volledige boete maar liefst 300%.

Het niet aangeven van inkomsten of een erfenis wordt tot 1 januari beboet met 60% van de verschuldigde belasting. Na 1 januari neemt deze boete toe tot maximaal 100%.
Geplaatst op 23-08-2017
Hypotheekrente vastzetten met een renteswap... of toch maar niet?
Er zijn hypotheken en hypotheken. Banken doen al jaren erg hun best om u ervan te overtuigen dat een hypotheek een ingewikkeld product is. U moet niet denken dat je gewoon geld leent, rente betaalt, en dat je de lening ook nog een keer moet terugbetalen. Nee, het is een hoogst ingewikkeld product waarvoor je je terdege moet laten adviseren.
Dat je bij een hypotheek niet over één nacht ijs moet gaan is natuurlijk duidelijk. Je gaat een verplichting aan voor een serieus bedrag, vaak ook voor een lange tijd. Maar ingewikkeld? Welnee. Geld lenen, rente betalen, geld terugbetalen.
Een belangrijke keuze die je moet maken is of je een geldlening wilt met een vaste rente of eentje met variabele rente. Variabel is in het algemeen op de lange termijn goedkoper, maar mensen willen soms graag zekerheid. De bank kan die zekerheid bieden en dat komt omdat de bank aan de nadere kant schuldpapier heeft uitstaan met zowel variabele als vaste rente. De bank ruilt dan het ene rentecontract gewoon in voor het andere. Iedere ondernemer die leningen heeft uitstaan met een variabele rente weet hoe je dat afdekt en er een vaste rente van maakt: dat gaat met een renteswap, een contract waarbij je een variabele rente inruilt voor een vaste rente.

Een particuliere geldlener die een eigenwoninglening met een variabele rente bij de bank had (Euribor plus 0,5%) wilde het risico op rentestijgingen afdekken en sloot met de bank twee renteswapcontracten, zodanig dat hij per saldo een vaste rente van 4,8% betaalde. Voor die swaps moest hij betalen en de vraag was of hij die kosten kon aftrekken als eigenwoningrente. De Rechtbank vond van niet, immers, een swap dekt een financieel risico af en is geen vergoeding voor het lenen van geld. Ergens schuurt dat natuurlijk wel een beetje, immers, economisch gezien is een lening met een variabele rente, in combinatie met een swap, niets anders dan een lening met een vaste rente. Het Gerechtshof vond dat ook en oordeelde dat de kosten aftrekbaar waren. De leningsovereenkomst en de swapcontracten moesten in onderlinge samenhang worden bezien en dan is de conclusie dat de kosten voor de swap en de rente moeten worden samengeteld. De Staatssecretaris van Financiën was het daar niet mee eens en vond dat er sprake was van twee afzonderlijke overeenkomsten. Alleen de rente aftrekken graag! Cassatie dus.

De Advocaat-Generaal, de vaste adviseur van de Hoge Raad, meende dat het Hof en de belastingplichtige in kwestie gelijk hebben, immers, waarom zou je twee overeenkomsten die de bedoeling hebben om een bepaald resultaat te verkrijgen niet in onderlinge samenhang moeten bekijken. Kortom, de kosten van de renteswap kwalificeren volgens de AG als kosten van eigen woning. Nu nog afwachten wat de Hoge Raad er zelf van vindt.

Update augustus 2017:
Dat in de Hoge Raad geen economen zitting blijkt maar eens temeer uit het cassatieberoep. De Hoge Raad verklaart namelijk doodleuk dat rente alleen maar rente mag heten als het berust op een afspraak tussen geldgever en geldlener als vergoeding voor het ter beschikking stellen van een hoofdosm. Punt uit. De kosten van de swap zijn dus.... niet aftrekbaar! De keuze of je een variabele of een vaste rente wilt betalen moet dus onderdeel zijn van de leningvoorwaarden en kan niet later met een hulpmiddel, zoals een swap, worden veranderd.

Deze wat rigide interpretatie past aan de ene kant wel en aan de andere kant weer niet in het stramien dat de Hoge Raad de afgelopen jaren heeft uitgezet. In de vennootschapsbelasting kan een opbrengst uit hoofde van een optieovereenkomst tot de deelnemingsvrijstelling worden gerekend als de onderliggende aandelen een deelneming vormen. Dat pleit voor het in aftrek kunnen brengen van de kosten van de swap. Dat je exact dezelfde opbrengst kunt genereren door short te gaan (opties schrijven zonder de onderliggende aandelen in je bezit te hebben) zou een argument moeten zijn om de optieopbrengst niet tot het deelnemingsvoordeel te rekenen. Kennelijk stelt de Hoge Raad nu dat het swapcontract en de overeenkomst van geldlening twee verschillende overeenkomsten zijn. Wij zijn benieuwd of de Hoge Raad nu ook een keertje omgaat als er een optievoordeel tot de deelnemingsvoordelen moet worden gerekend.
Geplaatst op 25-04-2017
De laatste stuiptrekkingen van het pensioen in eigen beheer
Tja, de afschaffing van het pensioen in eigen beheer. Wat kunnen we ervan zeggen, nu het al zoveel in het nieuws geweest is? Het pensioen in eigen beheer, dat monsterlijke gedrocht dat al jarenlang een vreselijk blok aan het been was en dat sinds de verlaging van het effectieve tarief in de vennootschapsbelasting (het gecombineerde Vpb/box 2 - tarief) tot beneden de 52% nooit meer dat planningsintrument was dat het ooit geweest was? En was het niet zo dat het pensioen in eigen beheer vooral geschikt was voor mensen die het instrument als zodanig niet nodig hadden? Mensen die de discipline hadden om het pensioengeld apart te houden? Het pensioen in eigen beheer, de civielrechtelijke kuisheidsgordel die de toegang van de DGA tot de reserves van zijn BV afsloot?

Laten we blij zijn dat het is afgeschaft – sorry, uitgefaseerd. Maar valt er verder nog wat te zeggen?

Even de belangrijkste regels: pensioen in eigen beheer kan worden afgekocht tegen de fiscale waarde per 31/12/2015. Bij afkoop kan op het inkomen in de inkomstenbelasting, dat is dus de waarde van de fiscale voorziening, een korting worden toegepast die in 2017 34,5% bedraagt en in de twee jaren daarna ieder jaar minder. Wil je niet afkopen maar toch van die nare pensioenvoorziening af, dan kun je ook de pensioenvoorziening voor de fiscale waarde omzetten in een oudedagsreserve. Die reserve moet vanaf de pensioendatum in 20 delen worden uitgekeerd en draagt een klein beetje rente - tenminste, nu nog wel. Wie weet wat de rente in de toekomst gaat doen. Verder moet de DGA die zijn pensioen afkoopt of omzet de partner zelf compenseren. Die compensatie valt buiten de fiscale sfeer, tenzij de partner heel doelbewust genoegen neemt met een lagere compensatie, uit een oogpunt van vrijgevigheid richting de DGA. Dan kan er sprake zijn van een schenking.

Het belangrijkste aspect van het afkopen van je pensioen betreft natuurlijk de positie van de partner. Je kunt wel een pensioen afkopen of omzetten in een oudedagsreserve, maar daardoor zit de partner, ex-partner of misschien zelfs wel toekomstige ex-partner ook zonder pensioen. Daar ligt een belangrijke zorgplicht voor de adviseur.

Dan is er de afweging van de voordelen van afkoop. Bedenk wel dat de afkoopsom in box 3 terechtkomt, ooit de pretbox, maar sinds de daling van de rendementen op sparen en beleggen en de verhoging van het effectieve tarief in box 3 valt er niet zoveel lol meer te beleven in box 3. Relatief jonge pensioengerechtigden hebben hier vooral onder te lijden.

Er vat veel meer over te zeggen, maar dat gaat nu even te ver. Pas vooral op voor analisten die met gedetailleerde spreadsheetmodellen komen en u uit komen leggen hoe voordelig of nadelig afkoop is, tot op decimalen achter de komma. Een dergelijke nauwkeurigheid bestaat helemaal niet als het gaat om de analyse of afkoop of omzetting wel of niet voordelig is. Er zijn zoveel variabelen waar rekening mee moet worden gehouden dat de enige tool die zekerheid geeft de good-old kristallen bol is. Helaas, wij weten uit betrouwbare bron dat slechts een zeer kleine minderheid onder de adviseurs over dergelijk gereedschap beschikt.

Ons advies: Laat u vooral heel goed uitleggen wat de belangrijkste effecten zijn en neem dan zelf de beslissing. En, het belangrijkste, overleg het heel goed met uw partner en laat bij enige twijfel uw partner zelfstandig advies inwinnen.

Het pensioen in eigen beheer mag dan uitgefaseerd zijn, zo gemakkelijk komen we er uiteindelijk toch niet van af.
Geplaatst op 17-03-2017
Garagebox of rommelhok, wel of geen BTW?
Wat is een garagebox ?

Domme vraag zult u zeggen; je kunt er je auto in parkeren. Een garagebox dient dan als parkeerruimte voor voertuigen. En (niet incidentele) verhuur van parkeerruimte is belast met BTW. Vaak worden losse garageboxen echter voor uiteenlopende doeleinden gebruikt. Voor overtollige spullen na een verhuizing ofzo. Of voor opslag van andere rommel waar je geen afscheid van kunt nemen. De garagebox dient dan als multifunctionele ruimte. En de verhuur van multifunctionele ruimten is niet belast met BTW.

Dat de losse verhuur van parkeerruimte BTW belast zou zijn is al beoordeeld door de fiscale rechter. Maar een andere hogere rechter oordeelde dat deze verhuur BTW onbelast is. Zo dom is de vraag dus niet. Uiteindelijk komt dan de Hoge Raad, onze hoogste fiscale rechter aan het woord en oordeelt dat de losse verhuur van garageboxen belast is met BTW. Een garagebox is bestemd om gebruikt te worden als parkeerruimte. Dat de box voor opslag gebruikt mag worden is daarbij niet van belang. En dat kan een bepaalde mismatch meebrengen, voor de opslag van spullen kun je beter naar een self storage zaak dan een garagebox huren. De ene is zonder BTW en de andere met - wel een beetje raar eigenlijk. Tenzij er een garagebox wordt gehuurd waarbij het gebruik van parkeerruimte uitgesloten is. Dat is dan weer zonder BTW.  Het heeft ook  gevolgen voor eventuele vooraftrek en bij afdracht van BTW als je verhuurt aan particulieren. Denk je bij een garagebox dus aan grijs, kanteldeur en plat dak, vergeet dan niet de BTW, die hoort er nu duidelijk bij.
Geplaatst op 06-03-2017
Belastinginspecteur mag geen politiefoto's gebruiken
Een beroemde scène uit The Godfather, part 1. Tijdens de bruiloft van Connie, de dochter van gangstermob Vito Corleone, zijn alle hoods uit de regio uitgenodigd. De oprit van de kapitale villa van de Corleones staat vol met auto´s van gangsters. Sonny, de oudste zoon van Vito en beoogd opvolger, krijgt in de gaten dat de FBI kentekens aan het fotograferen is en rukt woest het toestel van één van de agenten uit handen, smijt het op de grond, gooit er een paar verfrommelde dollarbiljetten achteraan en mompelt: -Goddamn FBI don't respect nothing.
Tegenwoordig pakt de politie het anders aan. Camera's op verkeersborden registreren feilloos wie er allemaal rijdt via het systeem van digitale kentekenherkenning. Ook kentekens van auto's die niet voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden mogen worden gebruikt worden geregistreerd. En als dan vervolgens uit de kilometeradministraties van die auto's blijkt dat die auto's op dat moment helemaal niet daar waren waar de foto gemaakt is, dan is er blijkbaar iets niet in orde met die kilometeradministratie. Heel vervelend, want een niet-sluitende kilometeradministratie betekent bijtelling van privégebruik auto en dus een beste belastingaanslag.

De vraag is of dat wel zo mag. Mag de belastinginspecteur de massaal gefotografeerde kentekengevens van de politie gebruiken voor de controle van een op zichzelf vrij onbenullig gegeven dat bij een enkele gebruiker tot een aanslag zou kunnen leiden? Is het gebruik niet in strijd met de privacywetgeving? Nee, vond de Rechtbank. Nee, vond ook het gerechtshof, met dien verstande dat het Hof wat minder stellig was dan de Rechtbank. Het gebruik van de gegevens was volgens het Hof wel een inbreuk op de privacy, maar in dit geval geoorloofd. De belastingbetaler in kwestie pikte het niet en ging in cassatie.

De Hoge Raad haalde een streep door de rekening van de inspecteur en oordeelde dat de gegevens niet voor de controle van het privégebruik auto mocht worden gebruikt, omdat er sprake was van strijdigheid met de Europese privacyregels. Ook oordeelde de Hoge Raad dat een inbreuk op die regels in dit geval alleen maar geoorloofd is als er een wettelijke grondslag voor is. Dat betekent dat een een-tweetje tussen de politie en de Belastingdienst onvoldoende is. Het moet via de wettelijke route, via een kamermeerderheid dus. En zo hoort het ook. Een overheid die zijn burgers op een sneaky manier in de gaten houdt gedraagt zich niet als een behoorlijke overheid, onder respectering van gerechtvaardigde burgerrechten.

In een tijd waarin de privacy door Facebook, LinkedIn, Instagram en andere social media op de tocht staat, is het heel goed om te weten dat onze hoogste rechter het gebruik door de overheid van gegevens  op privacy-aspecten toetst. Immers, het verleden heeft geleerd dat systematische vastleggingen door een overheid, die voor andere doeleinden worden gebruikt dan waar ze voor verzameld zijn, de basis kunnen vormen voor zwarte bladzijden in de geschiedschrijving. Het was de registratie van de geloofsovertuiging in de Nederlandse bevolkingsadministratie die de bezetter in de oorlog maar al te gemakkelijk naar de juiste adressen leidde. Dat mag niet worden vergeten. Dat de overheid de juiste toepassing van een belastingwet moet controleren rechtvaardigt niet alle middelen.
Geplaatst op 10-02-2017
Einde tijdklemmen kapitaalverzekeringen
Eind vorig jaar sijpelden de eerste berichten hierover al door, maar nu is het dan zover. Onze staatsecretaris van Financiën heeft aangekondigd dat hij binnenkort met een Koninklijk Besluit komt, waardoor de zogeheten tijdklemmen voor kapitaalverzekeringen per 1 april 2017 komen te vervallen.

Dit betekent dat o.a. bij Kapitaalverzekeringen en Spaarrekeningen Eigen Woning (de KEW en de SEW voor intimi) niet langer de voorgeschreven termijn van 15 of zelfs 20 jaar hoeft worden volgemaakt. De KEW en de SEW kunnen dus tussentijds al worden gebruikt voor aflossing van de eigen woninglening.

Als de hoogste inleg niet meer bedraagt dan 10 keer de laagste inleg, zijn de rendementen op de KEW en de SEW onbelast. Als keurig aan deze regels was voldaan, waren de KEW en SEW al geen belast vermogen voor Box 3. Er is dus sprake van netto sparen, ook als na 1 april 2017 de oorspronkelijk voorgeschreven termijn van 15 of 20 jaar niet wordt volgemaakt.

Wat ons betreft een welkome fiscale meevaller.
Geplaatst op 23-12-2016
Kerstkaart!
Wij wensen u goede kerstdagen en een gelukkig 2017
We wish you a merry christmas and a happy new year
Wir wünschen Ihnen frohe Weihnachten und einen guten Rutsch ins neue Jahr
Nous vous souhaitons joyeux noel et bonne année
Feliz navidad y próspero año nuevo
Geplaatst op 23-12-2016
De stemming over uitfasering PEB is uitgesteld
Frases als ‘a never ending story’ en ‘de wereld op z’n kop’ doemen op sinds afgelopen dinsdag bekend werd dat de stemming over het wetsvoorstel ‘Uitfasering Pensioen in Eigen Beheer en overige pensioenmaatregelen’ is uitgesteld.

De staatssecretaris heeft laten weten dat hij vanuit de praktijk signalen heeft gekregen over de mogelijkheden om de (toekomstige) indexatie van de opgebouwde pensioenaanspraken op het moment van de afkoop of omzetting ten laste van de winst te brengen.

Hij gaat nu een novelle voorbereiden waarin eventueel flankerende maatregelen worden opgenomen en waarin een wijziging van de inwerkingtreding wordt voorgesteld. In die novelle zal dan terugwerkende kracht worden voorzien voor de overige pensioenmaatregelen die in het wetsvoorstel zijn opgenomen.
Geplaatst op 08-12-2016
Monumentenaftrek blijft (nog even) bestaan…
De voorgenomen afschaffing van de aftrekpost voor monumentenpanden is van de baan. Zoals wij al eerder schreven, was het aanvankelijke plan om deze aftrekpost met ingang van 1 januari 2017 in zijn geheel te laten verdwijnen. Dat gaat dus niet door, omdat de oppositiepartijen CDA, D66, ChristenUnie en SP hebben laten weten dat ze het voorstel om de aftrekpost te schrappen te onduidelijk en niet goed onderbouwd vonden. Wij gaan ervan uit dat dit uitstel geen afstel betekent en verwachten dat de monumentenaftrek op termijn wel op de schop zal gaan.

Aan de ingangsdatum van 1 januari 2018 van de afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven wordt daarentegen niet getornd. Wel zal de komende periode worden gebruikt om te werken aan de subsidieregeling met scholingsvouchers die daarvoor in de plaats dient te komen.


Geplaatst op 29-11-2016
Reparatie van arrest: geen aftrek huurwoning zzp'er meer
De leuke aftrekpost voor zzp’ers met een huurwoning (zie ons item van 30 augustus 2016)  wordt met ingang van 1 januari a.s. geschrapt. Hoewel de staatssecretaris - naar aanleiding van het desbetreffende arrest - aanvankelijk liet weten dat de wet op dit punt niet zal worden aangepast, heeft hij inmiddels besloten om dat wel te doen.

Aldus zal met ingang van 1 januari a.s. de wet worden aangepast. Vanaf 2017 worden ondernemers voor de inkomstenbelasting (incl. zzp’ers en resultaatgenieters) met een onzelfstandige werkruimte in een huurwoning op dezelfde wijze behandeld als ondernemers met een koopwoning. Wellicht ten overvloede merken wij nog op dat de kosten van een zelfstandige werkruimte (onder de bestaande voorwaarden) wel aftrekbaar blijven van de winst.
Geplaatst op 24-11-2016
Invoering Wet DBA uitgesteld tot 1 januari 2018
De staatssecretaris heeft besloten om de implementatietermijn van de Wet DBA te verlengen tot (in ieder geval) 1 januari 2018. Hiermee bedoelt hij dat tot die tijd geen (repressief) handhavingsbeleid van toepassing is. De aanvankelijk per 1 mei 2016 in werking getreden Wet DBA bracht namelijk aanzienlijke onrust en knelpunten met zich mee. Het bedrijfsleven kan door de beslissing van de staatssecretaris op dezelfde voet verdergaan. Hetgeen betekent dat als klip en klaar duidelijk is dat er geen sprake is van een dienstbetrekking, er dus géén (model)overeenkomst Wet DBA tot stand hoeft te worden gebracht. Als er enige twijfel is, dan dient een dergelijke overeenkomst wel te worden gesloten. Vanwege de verlengde implementatietermijn geldt er geen (repressief) handhavingsbeleid.

Voorgaande is echter niet het geval ten aanzien van ‘de groep evident kwaadwillenden’. Die groep wordt door onze staatssecretaris als volgt gedefinieerd: ‘Kwaadwillend is de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast).’

Voor deze groep kwaadwillenden geldt – naar onze mening terecht – geen verlengde implementatietermijn, aldus zal de Belastingdienst met ingang van 1 mei 2017 starten met een (repressief) handhavingsbeleid.


Geplaatst op 11-10-2016
Met ingang van 2017 verbetering rechtsbescherming in de invorderingssfeer
Op het punt van rechtsbescherming bevat één van de op Prinsjesdag gepresenteerde wetsvoorstellen aanmerkelijke verbeteringen. Namelijk de uitbreiding en verbetering van rechtsbescherming in de Invorderingswet. 

Puntsgewijs gaat het om de volgende elementen:

1. De Ontvanger (die onder de Belastingdienst ressorteert) wordt bevoegd voor de invordering van belasting- én van toeslagschulden. Vanaf 2017 heeft degene die zowel toeslagen- als belastingschulden heeft dus te maken met één in plaats van twee organen;
2. de introductie van een debiteurgerichte (in plaats van vorderingsgerichte) betalingsregeling voor burgers. De belastingschuldige wordt dus het uitgangspunt. Ook dit komt de eenvoud ten goede;
3. ook toeslagschulden kunnen vanaf 2017 onder omstandigheden voor kwijtschelding in aanmerking komen;
4. de rechtsbescherming verloopt vanaf 2017 ten aanzien van geschillen over uitstel en kwijtschelding van zowel belasting- als toeslagschulden via de fiscale rechter. Tot die tijd is het nog zo dat een beperkt aantal kwesties door de fiscale rechter dient te worden beoordeeld, en alle overige gevallen door de civiele rechter.

Meer helderheid, betere rechtsbescherming en eindelijk een daadwerkelijke vereenvoudiging van het bestaande invorderingssysteem. Dat alles juichen wij van harte toe.
Geplaatst op 06-10-2016
Prinsjesdag 2016: (nog verder) op weg naar een vlaktax….
Oftewel hoe nog meer aftrekposten in de inkomstenbelasting zullen gaan verdwijnen. Vanaf respectievelijk 2017 en 2018 worden immers de aftrekposten voor monumentenpanden en scholingsuitgaven geschrapt.

Monumentenpanden
De persoonsgebonden aftrekpost voor rijksmonumentenpanden, waarmee onderhoudskosten gedeeltelijk in aftrek konden worden gebracht, verdwijnt met ingang van 2017 helemaal. In plaats daarvan komt er met ingang van 2017 een niet-fiscale subsidieregeling. Ook de overgangsregeling is niet fiscaal. Eenvoudig gezegd betekent dat dat de tegemoetkoming voor monumentenpanden niet meer verloopt via de aangifte inkomstenbelasting, maar door het doen van een beroep op een subsidie. Voor onderhoud dat in 2017 gepland staat, kan het in bepaalde gevallen interessant zijn om die kosten al in 2016 te maken. Hier zijn echter allerlei voorwaarden aan verbonden.  Wij betreuren de afschaffing van deze aftrekpost omdat dit deels ten koste zal gaan van ons culturele erfgoed.

Scholingsuitgaven
Mensen die een opleiding voor een beroep volgen en geen studiefinanciering ontvangen worden getroffen door het schrappen van deze aftrekpost. Daar waar het nu nog mogelijk is om het school/collegegeld en de kosten van de voorgeschreven boeken in aftrek te brengen, zal dat vanaf 2018 niet meer het geval zijn. De groep die deze aftrekpost claimt blijkt volgens het Centraal Plan Bureau (CPB) relatief hoog opgeleid te zijn. De achterliggende gedachte voor het schrappen van deze aftrekpost is dat er een maatregel dient te komen met scholingsvouchers voor mensen die ‘uit zichzelf minder snel geneigd zijn om scholing te volgen’. 

Kortom, naast de positieve geluiden - zoals de verhoging van diverse heffingskortingen en de fiscaal vriendelijke afkoop voor pensioen in eigen beheer - zijn dit een tweetal teleurstellende bezuinigingsmaatregelen.